|
Zo
mooi, maar wat een onderhoud!
Sybilla
Claus
R.
Bedaux, B. Diaby en P. Maas (red.), L'Architecture de Djenné, Mali.
Rijksmuseum voor Volkenkunde Leiden en Uitgeverij Snoeck Gent, ISBN
9053494200.
Het
Malinese dorp Djenné is beschermd Werelderfgoed. Maar door de droogtes
en armoede van de jaren tachtig kon de bevolking het intensieve
onderhoud van de lemen huizen niet meer opbrengen. Dankzij Nederlandse
hulp zijn de afgelopen jaren honderd monumenten gerestaureerd.
Op
een anderhalve meter brede ladder, waarvan de treden met touw vastzitten
aan de staanders, staan drie metselaars te wiebelen. Twee besmeurde
jochies klimmen omhoog met op hun hoofd een rieten mandje vol leem.
De mannen nemen het mandje over en smeren de banco met blote handen
op de gevel.
Meester-metselaar
Boubacar Kouroumansé legt uit hoe de handmatige afwerking zorgt
voor het typische afgeronde aanzien van de lemen moskeeën en huizen
in Mali. Net als in het door een aardbeving verwoeste Iraanse Bam
hebben de huizen meerdere verdiepingen. Hier is dat niet gevaarlijk
omdat het land niet op een breuklijn ligt. Leembouw is ideaal in
een plaats als Djenné, waar de temperaturen in de droge tijd kunnen
oplopen tot ver boven de veertig graden: ,,Als het buiten warm is
blijft het binnen redelijk koel, en andersom.''
De
omgeving van Djenné doet wat Hollands aan. Met een pontje steek
je de Bani over, een zijarm van de Niger. In het polderlandschap
grazen koeien en geiten, en op de dijk naar het stadje rijden zowaar
fietsen en brommers. Langs de oever liggen leemstenen te drogen.
Vroeger waren die cilindervormig, tegenwoordig zijn ze rechthoekig.
Vlak voor het bruggetje naar het middeleeuws aandoende stadje met
zijn vele smalle steegjes ligt een dode ezel al tijden te rotten.
Meestermetselaar
Kouroumansé (43) is de opzichter bij het door Nederland betaalde
restauratieproject. Hij begint zijn rondleiding door Djenné op het
plein waar de notabelen wonen, die in hun lange gewaad onder een
boom zitten. De woning van dorpshoofd Bahasey Maiga werd als eerste
opgeknapt. Het resultaat oogt als een plaatje: het drie verdiepingen
hoge pand ziet er strak gepleisterd uit. De rood geverfde houten
raampjes hebben ijzerbeslag en sierlijke openingen. Het dakterras
heeft aan de voorkant ter decoratie vijf puntige kantelen. Samen
met de luifel boven de deur naar de vestibule is dat kenmerkend
voor de Toucouleurstijl, genoemd naar het gelijknamige volk.
Huizen
in de Marokkaanse stijl hebben pilaren en veel meer kantelen op
de dakrand. Vanaf zijn dak heeft dorpschef Maiga een geweldig uitzicht
over Djenné en de Grote Moskee. De rivier omringt het stadje, en
reduceert het in de regentijd zelfs tot eiland. Witte duiven zitten
her en der op de daktorentjes, terwijl een roofvogel spiedend boven
de stad cirkelt. Op de binnenplaatsen hangen lakens en kleren te
drogen; hagedissen schieten langs de roodbruine muren. Het geluid
van vrouwen die rijst in hun vijzel staan te stampen klinkt door
de stegen.
Het
leven in Djenné lijkt weinig veranderd sinds de veertiende eeuw,
toen het een levendig centrum was voor de handel van zout en goud
door de Sahara. Islamkenners kwamen uit verre landen om hier bij
befaamde marabouts, koranleraren en religieuze specialisten, verder
te studeren. Wie nu door de stad loopt, moet uitkijken dat hij niet
onverhoeds in een van de vele open riolen belandt. Hoogtepunt van
het sociale leven is de maandagmarkt op het plein voor de unieke
Grote Moskee, het grootste leemgebouw ter wereld. Pas sinds 1995
heeft Djenné elektriciteit, en voor de 15000 inwoners is er een
telefoonboek van wel drie A-viertjes.
Het
huis van de buurman van dorpschef Maiga was net voor de regentijd
hersteld en moet eigenlijk nu alweer voor een deel worden bijgepleisterd.
Met goed onderhoud kan een huis eeuwenlang mee. Maar de ongelooflijke
hoeveelheid onderhoud die de leembouw vergt, is de zwakke plek van
deze bouwstijl. Met de lange droogtes die Mali teisterden, eerst
in de jaren zeventig en daarna in de jaren tachtig, zette het verval
in. Het dure onderhoud was voor velen niet meer op te brengen. Veertig
procent van de huizen verdween in de jaren tachtig. 'Rampzalig',
zegt conservator professor Rogier Bedaux van het Rijksmuseum voor
Volkenkunde in Leiden. Ook nu zijn er in Djenné nog talloze ingestorte
huizen te zien.
Bedaux
organiseerde in 1994 in Leiden de expositie 'Djenné, mooiste stad
van Afrika' om aandacht te vragen voor het probleem. Het ministerie
van buitenlandse zaken kwam toen met één miljoen gulden op de proppen
en in 1996 werd Bedaux samen met architect Pierre Maas supervisor
van het restauratieproject in Djenné. Afgezet tegen de diverse mislukte
Nederlandse ontwikkelingsprojecten lijkt een miljoentje uit de guldentijd
voor het behoud van honderd monumenten in dit beeldbepalende Werelderfgoed
niet veel.
Het
is alsof alle Djennenké, de inwoners van Djenné, Nederland kennen.
Als we een openstaande deur van een klein opgeknapt huis binnenlopen,
wekken we onbedoeld de oude mevrouw Touré die op haar slaapmat ligt
te rusten. Beleefd begint Kouroumansé het begroetingsritueel: 'Hoe
gaat het vandaag met U?' 'Goed.' 'Hoe heeft U geslapen?' 'Vredig.'
'Hoe gaat het met de familie?' 'God zij gedankt, zij zijn gezond.'
Het melodieuze duet gaat zo nog even door. Als de tachtigjarige
hoort dat er Hollands bezoek is, bedankt zij Nederland uitbundig.
,,Echt, zij is heel, heel tevreden met het herstel van haar huis'',
vertaalt Kouroumansé. ,,Zelf had ze dat nooit kunnen betalen.''
Het
project begon in 1997 vrij moeizaam. De criteria waren dat vooral
de monumentale Toucouleur- of Marokkaanse façades in aanmerking
kwamen en dat alle eigenaren ermee moesten instemmen. Soms wonen
de erfgenamen over de hele wereld verspreid, zodat niet iedereen
kon ondertekenen. Anderen deden niet mee omdat zij zich teveel schaamden
om te 'bedelen' om steun bij het onderhoud.
Elke
huiseigenaar in het stadje weet wat het jaarlijkse pleisteren inhoudt.
Maar van restauratie in de zin van terugbrengen in de oorspronkelijke
staat, hadden de Djennenké nog nooit gehoord. Sommigen wilden grotere
kamers, ijzeren ramen of een huis van cement, om van het onderhoud
af te zijn. Allemaal verboden in dit Werelderfgoed. Het is het conflict
tussen gemak voor de bewoners en de voorliefde van de experts voor
'echt' en 'origineel'. Wie de Grote Moskee in Mopti ziet, die voor
de bovenste helft uit cement bestaat, moet de deskundigen gelijk
geven.
Op
hun beurt hadden de metselaars nog nooit met begrotingen of bouwtekeningen
gewerkt. Er wordt in Mali gewerkt tot het geld op is, en nu nog
tekent Kouroumansé het liefst met zijn vinger in het zand als hij
iets wil uitleggen. Maar Nederland eiste tekeningen van de toestand
voor en na de ingreep. De technische assistentie vanuit Nederland
was overigens minimaal. Eens per jaar gingen Maas en Bedaux naar
Djenné, verder was er slechts controle per e-mail, ,,maar wel streng'',
aldus conservator Bedaux.
Het
project heeft niet alleen de huizen verbeterd maar ook het metselaarsgilde
enorm versterkt. Eerst was er veel werkloosheid, zegt Kouroumansé,
,,maar nu hadden voor het eerst 150 metselaars en arbeiders regelmatig
werk. Bovendien was de kennis van de eeuwenoude bouw- en pleistertechniek
al bijna verdwenen. We hebben nu veel mensen en jongeren opgeleid,
die weer anderen kunnen opleiden. Gidsen tonen nu aan de toeristen
onze opgeknapte huizen, dus voor de economie is het ook goed.''
De
metselaars van Djenné staan al tijden goed bekend in de wijde omgeving.
Van vader op zoon wordt het beroep al generaties lang doorgegeven.
Als enigen hebben de Djennenké hun gilde kunnen behouden, mede door
het gebruik van het in Afrika zo populaire bijgeloof. Net zoals
elke familie in Mali zijn eigen griot of lofzanger heeft, zo heeft
elk huis zijn eigen metselaar. Alleen hij kent de noodzakelijke
rituelen waardoor een huis blijft staan. Er zijn zelfs bezweringen
om een bewoner van zelf klussen te weerhouden. ,,Zonder gris gris
vallen de muren om, of kun je je bezeren aan een achtergebleven
visgraat in het leem van de muur. Aan zo'n infectie is in de stad
Niono zelfs iemand doodgegaan'', vertelt Kouroumansé. Ook bij het
begin van elke restauratie zijn betoverde stenen in de huismuur
aangebracht.
Door
de beginproblemen zijn er uiteindelijk geen 168 maar 100 panden
opgeknapt. ,,Al die bewoners zijn heel tevreden. In de een of andere
vorm hebben ze allemaal meegeholpen. Sommigen kookten voor ons,
dan weer kwamen mensen meepleisteren. Anderen vragen nu jaloers
wanneer hun huis aan de beurt is'', aldus Kouroumansé. Dat kan wel
even duren. Per januari neemt Mali het beheer over, en de vraag
is of de honderd andere huizen die dringend onderhoud behoeven,
dat overleven. Mali is wel in overleg met een Saoedische prins die
met zijn Aga Khan-stichting cultureel werk steunt.
De
enthousiaste meestermetselaar Kouroumansé is dankzij Nederland inmiddels
wereldberoemd. Hij figureert - toen nog als straatverkoper en tolk
- in het boek van de Utrechtse antropoloog Geert Mommersteeg over
de marabouts in Djenné. In een recent boek van Ton van der Lee bouwt
hij diens zandkasteel vlak buiten Djenné, aan de oever van de Bani.
In juni was Kouroumansé in Washington waar hij voor een folklorefestival
van het fameuze Smithsonian Museum de stadspoort van Djenné nabouwde.
Deze maand presenteert professor Bedaux een fotoboek over het restauratieproject
in de Malinese hoofdstad Bamako. Ook daar is Kouroumansé van de
partij, Insjallah, als God het wil. ,,De deur staat altijd voor
jullie open'', zegt hij dan ook, om de Nederlanders te bedanken
voor hun jarenlange samenwerking in de stad.
Copyright:
Trouw
|