Timbuktu Travel

Mali
Ons reisaanbod
Fotoalbum
Reacties
Evenementen
Praktische tips
Voorwaarden
Wie zijn wij?
Links
Contact

 

 

 

Timbuktu Travel
KvK nummer: 08118202

Artikel uit Trouw
De Verdieping, vrijdag 13 januari 2004

Zo mooi, maar wat een onderhoud!
Sybilla Claus

R. Bedaux, B. Diaby en P. Maas (red.), L'Architecture de Djenné, Mali. Rijksmuseum voor Volkenkunde Leiden en Uitgeverij Snoeck Gent, ISBN 9053494200.

Het Malinese dorp Djenné is beschermd Werelderfgoed. Maar door de droogtes en armoede van de jaren tachtig kon de bevolking het intensieve onderhoud van de lemen huizen niet meer opbrengen. Dankzij Nederlandse hulp zijn de afgelopen jaren honderd monumenten gerestaureerd.

Op een anderhalve meter brede ladder, waarvan de treden met touw vastzitten aan de staanders, staan drie metselaars te wiebelen. Twee besmeurde jochies klimmen omhoog met op hun hoofd een rieten mandje vol leem. De mannen nemen het mandje over en smeren de banco met blote handen op de gevel.

Meester-metselaar Boubacar Kouroumansé legt uit hoe de handmatige afwerking zorgt voor het typische afgeronde aanzien van de lemen moskeeën en huizen in Mali. Net als in het door een aardbeving verwoeste Iraanse Bam hebben de huizen meerdere verdiepingen. Hier is dat niet gevaarlijk omdat het land niet op een breuklijn ligt. Leembouw is ideaal in een plaats als Djenné, waar de temperaturen in de droge tijd kunnen oplopen tot ver boven de veertig graden: ,,Als het buiten warm is blijft het binnen redelijk koel, en andersom.''

De omgeving van Djenné doet wat Hollands aan. Met een pontje steek je de Bani over, een zijarm van de Niger. In het polderlandschap grazen koeien en geiten, en op de dijk naar het stadje rijden zowaar fietsen en brommers. Langs de oever liggen leemstenen te drogen. Vroeger waren die cilindervormig, tegenwoordig zijn ze rechthoekig. Vlak voor het bruggetje naar het middeleeuws aandoende stadje met zijn vele smalle steegjes ligt een dode ezel al tijden te rotten.

Meestermetselaar Kouroumansé (43) is de opzichter bij het door Nederland betaalde restauratieproject. Hij begint zijn rondleiding door Djenné op het plein waar de notabelen wonen, die in hun lange gewaad onder een boom zitten. De woning van dorpshoofd Bahasey Maiga werd als eerste opgeknapt. Het resultaat oogt als een plaatje: het drie verdiepingen hoge pand ziet er strak gepleisterd uit. De rood geverfde houten raampjes hebben ijzerbeslag en sierlijke openingen. Het dakterras heeft aan de voorkant ter decoratie vijf puntige kantelen. Samen met de luifel boven de deur naar de vestibule is dat kenmerkend voor de Toucouleurstijl, genoemd naar het gelijknamige volk.

Huizen in de Marokkaanse stijl hebben pilaren en veel meer kantelen op de dakrand. Vanaf zijn dak heeft dorpschef Maiga een geweldig uitzicht over Djenné en de Grote Moskee. De rivier omringt het stadje, en reduceert het in de regentijd zelfs tot eiland. Witte duiven zitten her en der op de daktorentjes, terwijl een roofvogel spiedend boven de stad cirkelt. Op de binnenplaatsen hangen lakens en kleren te drogen; hagedissen schieten langs de roodbruine muren. Het geluid van vrouwen die rijst in hun vijzel staan te stampen klinkt door de stegen.

Het leven in Djenné lijkt weinig veranderd sinds de veertiende eeuw, toen het een levendig centrum was voor de handel van zout en goud door de Sahara. Islamkenners kwamen uit verre landen om hier bij befaamde marabouts, koranleraren en religieuze specialisten, verder te studeren. Wie nu door de stad loopt, moet uitkijken dat hij niet onverhoeds in een van de vele open riolen belandt. Hoogtepunt van het sociale leven is de maandagmarkt op het plein voor de unieke Grote Moskee, het grootste leemgebouw ter wereld. Pas sinds 1995 heeft Djenné elektriciteit, en voor de 15000 inwoners is er een telefoonboek van wel drie A-viertjes.

Het huis van de buurman van dorpschef Maiga was net voor de regentijd hersteld en moet eigenlijk nu alweer voor een deel worden bijgepleisterd. Met goed onderhoud kan een huis eeuwenlang mee. Maar de ongelooflijke hoeveelheid onderhoud die de leembouw vergt, is de zwakke plek van deze bouwstijl. Met de lange droogtes die Mali teisterden, eerst in de jaren zeventig en daarna in de jaren tachtig, zette het verval in. Het dure onderhoud was voor velen niet meer op te brengen. Veertig procent van de huizen verdween in de jaren tachtig. 'Rampzalig', zegt conservator professor Rogier Bedaux van het Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden. Ook nu zijn er in Djenné nog talloze ingestorte huizen te zien.

Bedaux organiseerde in 1994 in Leiden de expositie 'Djenné, mooiste stad van Afrika' om aandacht te vragen voor het probleem. Het ministerie van buitenlandse zaken kwam toen met één miljoen gulden op de proppen en in 1996 werd Bedaux samen met architect Pierre Maas supervisor van het restauratieproject in Djenné. Afgezet tegen de diverse mislukte Nederlandse ontwikkelingsprojecten lijkt een miljoentje uit de guldentijd voor het behoud van honderd monumenten in dit beeldbepalende Werelderfgoed niet veel.

Het is alsof alle Djennenké, de inwoners van Djenné, Nederland kennen. Als we een openstaande deur van een klein opgeknapt huis binnenlopen, wekken we onbedoeld de oude mevrouw Touré die op haar slaapmat ligt te rusten. Beleefd begint Kouroumansé het begroetingsritueel: 'Hoe gaat het vandaag met U?' 'Goed.' 'Hoe heeft U geslapen?' 'Vredig.' 'Hoe gaat het met de familie?' 'God zij gedankt, zij zijn gezond.' Het melodieuze duet gaat zo nog even door. Als de tachtigjarige hoort dat er Hollands bezoek is, bedankt zij Nederland uitbundig. ,,Echt, zij is heel, heel tevreden met het herstel van haar huis'', vertaalt Kouroumansé. ,,Zelf had ze dat nooit kunnen betalen.''

Het project begon in 1997 vrij moeizaam. De criteria waren dat vooral de monumentale Toucouleur- of Marokkaanse façades in aanmerking kwamen en dat alle eigenaren ermee moesten instemmen. Soms wonen de erfgenamen over de hele wereld verspreid, zodat niet iedereen kon ondertekenen. Anderen deden niet mee omdat zij zich teveel schaamden om te 'bedelen' om steun bij het onderhoud.

Elke huiseigenaar in het stadje weet wat het jaarlijkse pleisteren inhoudt. Maar van restauratie in de zin van terugbrengen in de oorspronkelijke staat, hadden de Djennenké nog nooit gehoord. Sommigen wilden grotere kamers, ijzeren ramen of een huis van cement, om van het onderhoud af te zijn. Allemaal verboden in dit Werelderfgoed. Het is het conflict tussen gemak voor de bewoners en de voorliefde van de experts voor 'echt' en 'origineel'. Wie de Grote Moskee in Mopti ziet, die voor de bovenste helft uit cement bestaat, moet de deskundigen gelijk geven.

Op hun beurt hadden de metselaars nog nooit met begrotingen of bouwtekeningen gewerkt. Er wordt in Mali gewerkt tot het geld op is, en nu nog tekent Kouroumansé het liefst met zijn vinger in het zand als hij iets wil uitleggen. Maar Nederland eiste tekeningen van de toestand voor en na de ingreep. De technische assistentie vanuit Nederland was overigens minimaal. Eens per jaar gingen Maas en Bedaux naar Djenné, verder was er slechts controle per e-mail, ,,maar wel streng'', aldus conservator Bedaux.

Het project heeft niet alleen de huizen verbeterd maar ook het metselaarsgilde enorm versterkt. Eerst was er veel werkloosheid, zegt Kouroumansé, ,,maar nu hadden voor het eerst 150 metselaars en arbeiders regelmatig werk. Bovendien was de kennis van de eeuwenoude bouw- en pleistertechniek al bijna verdwenen. We hebben nu veel mensen en jongeren opgeleid, die weer anderen kunnen opleiden. Gidsen tonen nu aan de toeristen onze opgeknapte huizen, dus voor de economie is het ook goed.''

De metselaars van Djenné staan al tijden goed bekend in de wijde omgeving. Van vader op zoon wordt het beroep al generaties lang doorgegeven. Als enigen hebben de Djennenké hun gilde kunnen behouden, mede door het gebruik van het in Afrika zo populaire bijgeloof. Net zoals elke familie in Mali zijn eigen griot of lofzanger heeft, zo heeft elk huis zijn eigen metselaar. Alleen hij kent de noodzakelijke rituelen waardoor een huis blijft staan. Er zijn zelfs bezweringen om een bewoner van zelf klussen te weerhouden. ,,Zonder gris gris vallen de muren om, of kun je je bezeren aan een achtergebleven visgraat in het leem van de muur. Aan zo'n infectie is in de stad Niono zelfs iemand doodgegaan'', vertelt Kouroumansé. Ook bij het begin van elke restauratie zijn betoverde stenen in de huismuur aangebracht.

Door de beginproblemen zijn er uiteindelijk geen 168 maar 100 panden opgeknapt. ,,Al die bewoners zijn heel tevreden. In de een of andere vorm hebben ze allemaal meegeholpen. Sommigen kookten voor ons, dan weer kwamen mensen meepleisteren. Anderen vragen nu jaloers wanneer hun huis aan de beurt is'', aldus Kouroumansé. Dat kan wel even duren. Per januari neemt Mali het beheer over, en de vraag is of de honderd andere huizen die dringend onderhoud behoeven, dat overleven. Mali is wel in overleg met een Saoedische prins die met zijn Aga Khan-stichting cultureel werk steunt.

De enthousiaste meestermetselaar Kouroumansé is dankzij Nederland inmiddels wereldberoemd. Hij figureert - toen nog als straatverkoper en tolk - in het boek van de Utrechtse antropoloog Geert Mommersteeg over de marabouts in Djenné. In een recent boek van Ton van der Lee bouwt hij diens zandkasteel vlak buiten Djenné, aan de oever van de Bani. In juni was Kouroumansé in Washington waar hij voor een folklorefestival van het fameuze Smithsonian Museum de stadspoort van Djenné nabouwde. Deze maand presenteert professor Bedaux een fotoboek over het restauratieproject in de Malinese hoofdstad Bamako. Ook daar is Kouroumansé van de partij, Insjallah, als God het wil. ,,De deur staat altijd voor jullie open'', zegt hij dan ook, om de Nederlanders te bedanken voor hun jarenlange samenwerking in de stad.

Copyright: Trouw